Leestijd: 31 minuten
“Nee met de theorie kunnen we helemaal niks, mensen zijn niet in hokjes te plaatsen, iedereen doet het op zijn eigen manier”.
Absoluut waar. Iedereen doet het op zijn eigen manier. Als we zo zouden kijken naar al het onderzoek dat gedaan wordt, dan kunnen de onderzoekers maar beter iets anders met hun leven gaan doen. Onderzoek en de daaruit volgende theorieën zijn er niet voor niets!
Dat hulpverleners theorieën weg willen wuiven kan te maken hebben met het feit dat begeleiden bij verlies zo ingewikkeld kan zijn en dat het toepassen van theorieën dan niet altijd werkzaam lijkt. Het is maar hoe je het toepast.
Zonder theorie geen kennis, zou ik graag willen benadrukken. Zonder kennis zal je waarschijnlijk te vaak zoekende blijven naar wat je kunt inbrengen om de rouwende zo goed mogelijk te ondersteunen.
Door de gangbare theorieën te betrekken in de rouwbegeleiding, is het mogelijk de rouwende zo passend mogelijk te begeleiden door het proces van rouw. Zoals gezegd, ieder rouwproces is uniek en iedereen rouwt op zijn eigen manier. Er is zeker een rode draad te herkennen in hoe mensen door het rouwproces heengaan en wat zij nodig hebben. Door die rode draad te volgen, blijft de focus op het vullen van de ‘gaten’ in het levensverhaal, waardoor het levensverhaal op adequate wijze herschreven kan worden.
Ik neem je in dit artikel graag mee in de theorieën die gebruikt worden in de dagelijkse rouwpraktijk.
Inhoudsopgave
1. Rouwtaken William Worden

Als eerste noem ik de rouwtaken, omdat deze richting geven aan de opbouw van de rouwbegeleiding en je zou kunnen zeggen dat de andere theorieën die ik ga noemen zich allemaal manifesteren binnen elke rouwtaak.
Idealiter wordt de volgorde van de rode draad van de rouwtaken in jouw begeleiding aangehouden, echter, het blijft altijd zaak aan te sluiten bij de rouwende, zodat hij zich erkend en begrepen voelt. Alvorens een opsomming van deze taken te geven: het is niet zo dat het voor de rouwende keurig van 1 via 2 en 3 naar 4 gaat. Het gaat ook heen en weer. Maar de rode draad is zeker te herkennen en een mooie handreiking voor jou hoe je kunt begeleiden.
In dit rouwtaken model van William Worden (1992) wordt het rouwproces bezien als een dynamisch proces waarin de rouwende vier taken moet volbrengen.
De rouwtaken gaan over het werk dat men te verrichten heeft.
Het woord ‘taken’ impliceert dat mensen hard moeten werken om door de rouw heen te komen. Dit herkennen we allemaal: rouwenden zijn dood- en doodmoe.
Nu is het niet zo dat de taken heel bewust worden doorgewerkt, dit gebeurt in een ‘normaal’ verlopend rouwproces bijna automatisch, het lijkt soms of men niet anders kan. Het is heel gebruikelijk dat in eerste instantie men op zoek gaat naar informatie over het gebeuren (rouwtaak 1). Dat men kennis wil hebben van de toedracht van het overlijden, hoe deze plaatsvond. Dit is mens-eigen: we willen onze informatie compleet hebben.
Dat daarna de afschuwelijke waarheid dieper en dieper doordringt gebeurt ook ‘als vanzelf’ (rouwtaak 2). Waarna er ruimte komt voor de herinneringen zonder dat men verteerd wordt door de pijn van die herinneringen. Er komt weer ruimte voor rituelen, waarmee men de overgang maakt naar een leven zonder de overledene, of het verlies (rouwtaak 3). Daarna gaat men, ik zou ook willen zeggen bijna (!) als vanzelf, zich verbinden met het leven en met de overledene, of datgene wat verloren is gegaan, maar op een andere manier (rouwtaak 4).
Hieronder werk ik de rouwtaken verder uit.
1.1 Rouwtaak één: Erkennen
Erkennen dat iemand dood is. Daarmee wordt vooral bedoeld dat de rouwende ook onbewust heeft ‘geaccepteerd’, dat hij/zij ‘weet’ dat hij echt dood is, dat het verlies werkelijk heeft plaatsgevonden. Er is geen weg meer terug.
Dat betekent niet dat de rouwende het goed vindt (accepteren) dat het gebeurd is, maar wél dat het feit is geaccepteerd. Dit zijn de momenten dat de rouwende niet meer denkt dat hij iemand ziet lopen, of dat je iemand niet meer hoort zeggen “pff ik kan t gewoon niet geloven dat hij dood is”. De rouwende zal niet meer zeggen “als ik straks weer kan lopen”. Of “maar we komen weer bij elkaar hoor!”. De rouwende gaat dan in de verleden tijd over de overledene, of het verleden praten.
Daarbij is het van belang om de overledene te zien, om informatie te hebben over de toedracht van het overlijden, de toedracht van het verlies van gezondheid, of de baan, of de toedracht van de scheiding. Het is van belang vragen beantwoord te krijgen, telkens weer. Sommige vragen kunnen niet beantwoord worden en op enig moment krijgt de rouwende daar ‘vrede’ mee.
Dit is in eerste instantie een onmogelijke opgave. Men probeert de waarheid weg te houden, te doen alsof het niet is gebeurd. Het is zwaar om de werkelijkheid onder ogen te zien. Hier zien we ook vaak het onderhandelen (marchanderen) (Elisabeth Kübler-Ross), proberen het verlies ongedaan te maken.
Het is dus voor het erkennen dat iemand dood is, belangrijk dat de overledene gezien is, dat men naar een opbaring en een uitvaart gaat. Als een scheiding plaatsvindt, dan is het voor het erkennen duidelijker als er een ander in het spel is. Als dit niet het geval is, dan kan men nog de hoop hebben dat de scheiding ongedaan gemaakt kan worden. Wellicht is dit ook de reden waarom er zo veel conflicten komen op het moment dat een van de partners na de scheiding een nieuwe partner krijgt. Het rouwende brein speelt hierbij een grote rol
Wat we in deze rouwtaak vaak tegenkomen is dat men het feitelijke verlies ontkent door alle spullen intact te houden. De pantoffels staan nog onder de kapstok, de babykamer wordt niet opgeruimd, de box staat nog in de kamer. Men heeft alles klaar staan voor als de overledene nog terugkomt.
De hardloopschoenen worden bewaard, want wellicht kan je ooit nog die marathon lopen, of men houdt de trouwring om, want je ‘weet maar nooit’.
Natuurlijk ‘weet’ men wel dat dit niet zal gebeuren, maar om dit emotioneel ook werkelijk te doorvoelen is nog onmogelijk.
Het tegenovergestelde kan ook gebeuren: men doet juist meteen de spullen weg, ruimt op. “Ik heb er nu toch niks meer aan”. Of: “hoezo zou ik die kamer intact houden? Ik kan hem beter gebruiken als werkkamer”.
Het is goed te realiseren dat allerlei uitingen mogelijk zijn.
In rouw zien we dat tijdens deze eerste rouwtaak de overledene ook heel dichtbij wordt gehouden. Door foto’s, voorwerpen, spirituele connecties, het bezoeken van een medium, of andere tekens die men krijgt vanuit het hiernamaals. Een oordeel hoeven we niet te hebben, wij weten niet wat waar is of niet. Wat belangrijk is, is dat we herkennen dat de rouwende hier veel behoefte aan heeft en dat dit ook mag. Het langzaam maar zeker de waarheid onder ogen zien gebeurt niet van het ene op het andere moment.
Opvallend is dat men vaak in de tegenwoordige tijd over de overledene/het verleden praat. Het is net alsof het er nog is.
Men is in shock en doet veel dingen op de ‘automatische piloot”. Later weet men vaak niet meer goed wat er in die tijd gebeurde.
1.2 Rouwtaak twee: Herkennen
Herkennen van de pijn die bij het verlies hoort. Als alle informatie is ingedaald en de rouwende werkelijk beseft dat het verlies echt definitief is, dan komt er een ander soort pijn. In rouw door dood en scheiding lijkt het erop dat dit meer de pijn wordt om de persoon zelf, waar tijdens rouwtaak één de pijn meer ging om de rol die die persoon vervulde (mijn partner regelde altijd de vakanties, nu moet ik het zelf regelen).
Dat kan betekenen dat de emoties in deze rouwtaak dieper gaan en de rouwende niet altijd kan begrijpen waarom hij zich nu nóg verdrietiger voelt.
Zo zien we dat het tweede jaar vaak zwaarder voelt dan het eerste jaar. Een rouwende hoort liever niet aan het begin van het rouwproces dat een tweede jaar nog zwaarder kan zijn, maar als dit ook daadwerkelijk zo voelt, kan het voor een rouwende een enorme teleurstelling zijn, omdat hij had gedacht dat het tweede jaar beter zou gaan. Een voorzichtige voorbereiding, c.q. psycho educatie kan hierbij helpen.
Verschillende gevoelens worden hier dieper doorvoeld, zoals het verdriet, angst, eenzaamheid, de nutteloosheid van het bestaan, jaloezie, boosheid dat de nieuwe partner wel een andere partner heeft.
In de omgeving vindt men vaak minder gehoor voor deze gevoelens omdat ze niet altijd begrepen worden door de omgeving. Het is immers ‘al’ een jaar geleden? Het cliché dat rouw een jaar duurt is wel verlaten, maar speelt nog steeds als onderliggend paradigma een grote rol in de omgeving.
Juist doordat de omgeving het gevoel niet erkent, voelt de rouwende zich eenzamer. Dat betekent dat in rouwtaak twee er veel aandacht in de begeleiding moet gaan naar de gevoelens. De rouwende heeft deze gevoelens (nog) niet onder controle en kunnen te pas en te onpas de kop op steken en ontwrichtend zijn. De rouwende vertrouwt zichzelf niet meer, durft geen afspraken te maken (wat als ik die dag net heel erg verdrietig ben?) en kan denken dat het nooit overgaat. De ene dag kan men zich ‘best aardig’ voelen en de volgende dag verschrikkelijk slecht. Dit geeft als proces ook weer paniek. “Gaat het dan nooit over?”. In het duale procesmodel wordt daar verder aandacht aan besteed.
In deze tweede rouwtaak zien we dat de rouwende probeert afstand te nemen van de zware gevoelens, omdat de rouwende er ook wel ‘klaar mee is’. Tegelijkertijd verbindt dit gevoel ook met de overledene / het voorbije leven. De rouwende heeft hier een harde dobber aan. Hij wil verder, maar kan nog niet verder omdat de echte diepe gevoelens zo borrelen onder de oppervlakte. Hier zien we wel verschillen tussen mannen en vrouwen, zie daarvoor ook het hoofdstuk over man/vrouw verschillen.
Rouwen duurt zolang het duurt, het is ook nooit aan een ander om een oordeel te hebben over welk gevoel de rouwende wel of niet mag hebben.
1.3 Rouwtaak drie: Verkennen
Verkennen van het leven zonder de overledene/zonder datgene wat verloren is gegaan. Hier ontstaan de rituelen. Wat doet iemand ‘altijd’ op de verjaardag van de overledene? Hoe vieren we ‘altijd’ de verjaardag van de kinderen nu we gescheiden zijn? Wat doet iemand voor het slapen gaan? Hoe geeft men vorm aan het afwezig zijn van de overledene/het verlorene, met name op belangrijke dagen? In rouwtaak drie merken we dat het al beter met de rouwende gaat en dat de rituelen houvast geven.
Hier gaat de rouwende ook de nieuwe vaardigheden ontwikkelen om invulling te geven aan de rol die de overledene, of het verlorene, in het leven van de rouwende had. Dit is een praktische aanpassing aan het ‘nieuwe’ leven. Men krijgt meer zelfvertrouwen omdat dingen ook gaan lukken. Wat men op dag één na het verlies niet voor mogelijk had gehouden, blijkt toch mogelijk te zijn!
De rouwende gaat hier ook zijn eigen zelfbeeld aanpassen. Men is bezig een nieuwe identiteit op te bouwen. In eerste instantie ging men de relatie in met een eigen identiteit, of dit nu de relatie met een partner is, of met een kind, of een betekenisvolle ander. Gedurende het leven vervlechten deze identiteiten en krijg je een identiteit met elkaar, je past je aan elkaar aan. Na een verlies gaat iemand zijn eigen identiteit weer zoeken. “Wat wil ik”? In rouwtaak drie zien we dit steeds meer gebeuren. Men denkt niet meer “wat wil mijn overleden ….. / wat wil mijn ex dat ik doe”, “hoe zou ik dit nog zo veel mogelijk kunnen doen zoals ik dit vroeger deed” maar “wat wil ik?”.
In rouwtaak drie merken we dat de rouwende steeds beter in staat is het wereldbeeld aan te passen. Waar in eerste instantie (c.q. rouwtaak één) de prangende vraag was “waarom moet mij dit gebeuren”, of “waarom overkwam hem dit?”, verandert dit geleidelijk in: “ik zal nooit antwoord op die vraag krijgen, ik moet leren leven zonder een antwoord”. Men kan steeds beter accepteren dat het leven dingen in petto heeft die soms onverklaarbaar zijn.
In deze rouwtaak zien we daarmee een geleidelijke overgang naar het nieuwe leven zonder diegene of datgene wat verloren is gegaan, terwijl men toch ook steeds beter in staat is het nieuwe leven te leven.
1.4 Rouwtaak vier: Verbinden
Verbinden met de overledene en het leven zelf. Erop vertrouwen dat niet iedereen zo maar dood- of weggaat, of dat dingen zomaar ophouden te bestaan. Het verlorene niet loslaten maar opnieuw mee verbinden. Dat kan op allerlei manieren. Over de overledene mogen blijven praten, dingen van hem/haar dragen, op welke manier dan ook uiting geven aan dat deze persoon bij het leven van de rouwende hoort. In geval van scheiding nog met liefde over je ex praten, ookal was er een ander in het spel, maar nu als ouder van je kind(eren). Kunnen blijven benoemen hoe jouw leven vroeger ging, zonder dat de omgeving denkt dat je dan onderuitgaat, of zonder dat je zelf vervalt in melancholie of je verdrietig wordt.
Men heeft het nodig dat in het sociale leven het verlies erbij mag horen. Dat het benoemd mag worden. Ook is het nodig dat men merkt dat mensen en situaties ‘blijven’.
Men hoeft de overledene en het verleden absoluut niet los te laten! Opnieuw verbinden, een plek geven in de doorstroom van het leven. Symbolisch of psychologisch. We zien vaak dat rouwenden in deze rouwtaak wel bezig zijn met het verlies maar dat dit niet meer hun leven beheerst. Men is in staat om nieuwe relaties op te bouwen, om het leven weer ‘te leven’. De herinneringen komen en gaan, men wordt er niet meer door overspoeld, maar de herinneringen worden als de meeste herinneringen in het leven: dingen die men meeneemt in de rugzak van het leven.
In deze rouwtaak zien we dat de rouwende in staat is naar de toekomst te kijken. Plannen te maken voor de langere termijn. De toekomst ziet men niet meer als een zwart gat, maar als een toekomst met alle mogelijkheden die daarin opgeslagen zijn.
Wat nog niet vanzelfsprekend is, is het vertrouwen in het leven. Deze wordt weer langzaam opgebouwd, maar zeker als er sprake is van een nieuwe relatie (of een nieuwe zwangerschap) dan zien we dat de angst om te verliezen, toch nog groot aanwezig is.
In de praktijk blijkt vaak dat er altijd een latente angst blijft. Als er iets onverwachts gebeurt, als iemand plotseling niet bereikbaar is, dan in één keer vlamt die oude angst weer op.
2. Rouwfasen Kübler-Ross

Elisabeth Kübler-Ross is in de jaren 60 en 70 bekend geworden als psychiater die onderzoek deed naar het stervensproces van kankerpatiënten. Dit leverde het ‘fasenmodel’ op.
Dit fasenmodel van Kübler-Ross is gegeneraliseerd naar rouw door de dood en wordt tot op de dag van vandaag nog steeds veel gebruikt.
Er wordt ook veel gesproken over de ‘rouwcurve’ van Kübler-Ross.
Onder professionals in ‘rouwland’ worden de rouwfasen van Kübler-Ross niet veel meer gebruikt, is het zelfs een beetje ‘not done’ om het er nog over te hebben.
Het is belangrijk deze te benoemen, omdat dit de emoties zijn waar iemand doorheen gaat. Deze emoties komen er vaak bij de hulpverlener uit. Want emoties richten zich op de mensen waar men zich veilig bij voelt, of op de mensen waar men verder geen enkele band mee heeft.
2.1 Ontkenning
Het is van belang dat we snappen dat de rouwende ‘in shock’ is. Voor ons als relatieve buitenstaander kan het toch overduidelijk zijn dat het verlies heeft plaatsgevonden, voor de rouwende ligt dat anders. De shock en de ontkenning hebben met elkaar te maken. Doordat men in shock is, is het niet mogelijk de hele waarheid tot je door te laten dringen.
Dat is maar goed ook, want als de rouwende op dag één de hele waarheid tot zich door zou laten dringen, dan zou het onmogelijk worden het leven door te leven.
2.2 Woede
Als de rouwende boos is op de dood, dan wil men die woede uiten. Maar hoe kun je boos zijn op de dood? Je kunt hem niet slaan, niet de les lezen, niks. Toch zit de rouwende met die emotie.
In een echtscheiding herkennen we dat deze boosheid zich kan richten op de (aanstaande) ex. Bij een levend verlies bij gezondheid, kan deze boosheid zich richten op de artsen, die te laat hebben ingegrepen.
2.3 Onderhandelen
Onderhandelen (marchanderen) zien we vaak terug bij de rouwende in de ‘schuldvraag’. “Als ik nou eerder de dokter had gebeld”? “Als ik beter had opgelet”. Onderhandelen hoort bij rouw. Als hulpverlener hebben wij deze fase te ‘verduren’ en te herkennen.
In rouw is het nodig een gevoel van controle te ervaren, het onderzoeken hoe de rouwende eventueel de loop had kunnen veranderen (wat vaak niet het geval is) geeft een gevoel van controle naar de toekomst: “volgende keer doe ik het anders, dan overkomt mij dit niet meer”. Hoe terecht dit is, is maar de vraag, maar voor de rouwende is het een manier om grip te krijgen op het leven.
2.4 Depressie
De depressie die Kübler-Ross noemt is niet de klinische depressie zoals deze bij artsen wordt vastgesteld, maar is de diepe radeloosheid, machteloosheid, geen uitweg meer zien, die bij rouw hoort. Op het moment dat het meer en meer tot de rouwende door gaat dringen dat het verlies niet is terug te draaien, dan komen deze gevoelens meer naar de oppervlakte. Machteloosheid kan tot depressie leiden, het in gaan zien dat je een verlies niet terug kan draaien, maakt absoluut machteloos. De aanpakgerichtheid zit hem dan in het weer opbouwen van je leven, maar dat kan pas daarna ontstaan. Want eerst zal de rouwende in gaan zien dat het verlies onomkeerbaar is.
2.5 Aanvaarding
Men gaat langzaam maar zeker opbouwen naar acceptatie van het verlies. Niet acceptatie in de zin van het goed vinden, maar acceptatie in de zin dat het verlies heeft plaatsgevonden. Er is geen weg meer terug. De rouwende staat met zijn rug tegen de muur en kan niet anders dan de harde waarheid ‘accepteren’. Waar het vaak mis gaat, is dat de rouwende (en de omgeving) dit verwarren met “ja hoor, ik heb geaccepteerd dat Jan dood is” of “dat ik nu gescheiden ben”. In dat woord acceptatie zit een soort van het goed vinden. Maar woorden als “ik heb geaccepteerd dat de situatie is zoals hij is en dat ik er niets aan kan veranderen”, dát is wat Kübler-Ross met deze vijfde ‘fase’ bedoelt.
“Geef me de moed om te veranderen wat ik kan veranderen. Geef me de wijsheid om te accepteren wat ik niet kan veranderen. Geef me het inzicht om het verschil tussen beide te zien” – Reinhold Niebuhr
Er spelen uiteraard meer emoties in rouw, deze die Kübler-Ross heeft onderzocht, zijn de meest voorkomende.

De rouwcurve van Elisabeth Kübler-Ross, wordt nog veel gebruikt. De emoties die zij noemt kunnen allemaal in meer of minderen mate zichtbaar worden, of voelbaar zijn voor de rouwende. Het kan, maar hoeft niet. Of ze zo keurig op volgorde gaan, is ook maar de vraag. Ook hier kunnen we, net als bij de rouwtaken van William Worden, wel een voorzichtige rode draad herkenen.
Grote misverstand rondom deze curve is dat deze werd/wordt gezien als maatgevend. Je ‘moet’ eerst in de ontkenning zitten voordat je woede kunt voelen, of, als je geen woede hebt gevoeld dan komt deze nog wel. Net als bij de rouwtaken geldt dat het niet keurig opvolgend is, ze kunnen allemaal door elkaar heenlopen.
Deze theorie helpt ons, als hulpverlener, om de emoties van de rouwende te verduren.
3. Duale procesmodel Stroebe en Schut


Stroebe en Schut (1999, 2002) hebben het duale procesmodel beschreven. Zoals het woord al zegt, gaat het hier om het proces. Hoe beweegt men in het rouwproces.
We zien in dit model twee typen stressoren, de stressoren die te maken hebben met de realiteit van het verlies en die te maken hebben met de realiteit van het herstel, het dagelijks leven, het invullen van de nieuwe rollen.
De slingerbeweging. Heen en weer gaan tussen de verlieskant en de herstelkant. De rouwende heeft ze beide nodig. Als men te veel in het verlies zit, dan vermindert de energie en veerkracht, als men te veel in het herstel zit dan is men wellicht het verlies aan het vermijden.
Hierbij de aantekening dat onderzoek aantoont dat mannen meer in de herstelkant zitten en vrouwen meer in de verlieskant.

Vermijden is soms ook heel nodig en goed. Soms is het verlies (op momenten) te groot om onder ogen te zien. Dan móet men wel doen alsof het niet heeft plaatsgevonden. Men moet immers ook de levenstaken uitvoeren, de combinatie van levenstaken met de verlies oriëntatie in het procesmodel, maken dit soms onmogelijk.
Dit model laat zien waarom de rouwende soms zo ontdaan kan zijn omdat hij gister een heel leuk feest heeft gehad, maar de volgende dag zich weer zo verdrietig voelt!
Het hoort heen en weer te gaan. Dat is goed.
Dit heen en weer gaan kan tot in lengte van dagen duren. Rouw kent geen eindpunt. Vaak zien we dat op belangrijke momenten in het leven de rouw weer opspeelt. Dat de verlieskant weer wordt geraakt.
Belangrijk is dat men de heen en weer beweging blijft maken in rouw. Waarbij het logisch is dat men de eerste periode vooral in de verlieskant zit en later wat meer naar de herstelkant kan bewegen.
Wat we zien is dat als de rouwende heen en weer gaat tussen deze twee kanten, men zich de minste zorgen hoeft te maken. Het lijkt er dan op dat iemand zijn rouwproces ‘rouwadequaat’ doorloopt.
Het vast (blijven) zitten in één van de twee kanten, kan leiden tot gecompliceerde rouw.
Het fasenmodel van Kübler-Ross gaat over de emoties die een rouwende voelt, het takenmodel van Worden gaat over de taken die een rouwende moet doorlopen, het duale procesmodel gaat over het verloop van het proces.

Het fasenmodel van Kübler-Ross kan worden gezien als emotiegerichte coping, het takenmodel van Worden als probleemgerichte coping (je ‘doet’ iets om met het probleem om te gaan, het uitvoeren van taken is een actie) en het duale procesmodel combineert beide en laat ook zien hoe belangrijk een goede afwisseling is.
We kunnen e.e.a. ook samenvoegen in het volgende plaatje, waarbij aangetekend moet worden dat dit niet een onderzocht model is, puur op basis van gevoel:
Je ziet hierbij dat hechting ook een rol speelt en van invloed is op het proces van rouw.
4. Het rouwende brein

Wanneer je iemand verliest, gaat het brein keihard aan de slag om nieuwe netwerken aan te leggen die gaan helpen om door de schok en de verschrikkelijke pijn heen te komen.
Onderzoek (2022) van Mary-Frances O’Connor laat zien wat er in de hersenen gebeurt als je iemand verliest door de dood. Rouwen blijkt dan eigenlijk een vorm van leren – het verdriet leert hoe je in de wereld kan zijn zonder die ene persoon.
Het onderzoek van Mary-Frances O’Connor richt zich met name op overlijden, maar het vraagt denk ik niet veel fantasie om deze hersenactiviteiten te plaatsen bij andere verliezen.
Wanneer we een verlies ervaren, beginnen onze hersenen overuren te draaien. Mensen moeten nieuwe gewoonten vormen voor de nieuwe wereld waarin ze terecht zijn gekomen, associaties die ze met de overleden persoon hadden worden opnieuw samengesteld. Ook de hechtingsrelatie met de persoon die overleden is wordt opnieuw bepaald en mensen leren nieuwe manier van omgaan met zichzelf, de wereld om ze heen en met de overledene.
Onderzoek toont aan dat verdriet verbonden is met veel verschillende hersenfuncties – van geheugenherinnering tot onze afstemming op de mensen om ons heen. Verdriet is ook verbonden met hersenfuncties die onze hartslag en onze gevoelens van pijn en lijden beïnvloeden.
Wanneer we een significant verlies ervaren, zien de hersenen dit als een bedreiging voor overleving, en het daardoor worden er allerlei verdedigingsmechanismen aangemaakt die de bloeddruk en hartslag verhogen en zelfs specifieke hormonen vrijgeven. Zo zien we dat mensen in rouw veranderingen in geheugen, ondergaan, in slaap, hartfunctie en immuunrespons en wat we veel horen, is dat ze ook cognitieve effecten ervaren zoals “hersenmist”. Je zou het zo kunnen zien dat de hersenen overschakelen naar een overlevingsmodus.
Zo lang de mens bestaat, bestaat ook rouw. Evolutionair gezien kun je zeggen dat een rouwproces is bedoeld om overleving te bevorderen. Dit wordt ook door wetenschappelijk onderzoek ondersteund.
Nieuwe neurale paden worden gemaakt. De hersenen creëren verbindingen tussen zenuwen, en waar nodig, versterken of verzwakken ze bestaande verbindingen afhankelijk van de intensiteit van de emotionele reactie (neuroplasticiteit). Door deze neuroplasticiteit zijn de hersenen in staat om zich aan te passen aan levens veranderende gebeurtenissen door nieuwe neurale verbindingen te vormen op basis van deze ervaringen. In feite passen de hersenen zich constant aan aan de (nieuwe) informatie die tot ons komt. Meestal gebeurt dit geleidelijk. Zoals we als jonge kinderen leren de tafels uit ons hoofd te leren.
Maken we echter een plotselinge (al dan niet verwachte) grote verandering mee, dan blijkt dat er zo veel neurologische herbedradingen moeten plaatsvinden, dat het denkpatroon verstoord raakt.
Dit zien we bij mensen in rouw ook vaak terug in de gedachtes die ze hebben, waar ze soms zelf enorm door verrast worden of ook wel geschokt door kunnen zijn. Het hersenonderzoek laat zien dat dit ‘normale’ reacties zijn.
4.1 Had-ik-maar denken
Na een overlijden wordt de rouwende in beslag genomen door allerlei vragen over het eigen handelen. “Wat als ik eerder de dokter had gebeld”. “Had ik maar niet naar buiten gegaan”. “Wat als ze toch die ene behandeling had ondergaan”. “Wat als ik haar niet had laten buitenspelen”.
Elisabeth Kübler-Ross die de vijf stadia van rouw beschreef waar mensen die gaan sterven doorheen gaan, vat dit samen onder het ‘onderhandelen’. Het brein probeert orde te scheppen in de chaos die is ontstaan.
Al deze gedachten zijn een natuurlijke reactie op het verliezen van iemand van wie je houdt. Je hersenen draaien de gebeurtenis steeds opnieuw rond om te proberen tot een andere uitkomst te komen. Het brein vindt het namelijk heel moeilijk (net als de rouwende zelf) om werkelijk te kunnen snappen dat die persoon er niet meer is. Dat kan in feite ook niet want er is nog geen nieuwe bedrading aangelegd in de relatie tot deze persoon.
Dit zijn tijdelijke processen die van ons als hulpverlener veel nabijheid vragen. Telkens met de rouwende deze gedachtes te onderzoeken. Het heeft geen zin om te zeggen: “maar zo is het niet gegaan, dus laat het los deze gedachten”. Het brein doet dit vanzelf. Het probeert, als het ware, omweggetjes in de neurale netwerken te vinden waardoor de persoon toch terug kan.
4.2 Het definitieve van de dood
Niets doorsnijdt een band zo definitief als de dood. Het idee dat iemand nooit meer contact kan hebben met de persoon die is overleden, maakt het niet te verteren. Vriendschappen en andere connecties kunnen verliezen we in ons leven, maar het voelt nog altijd als ‘ooit kunnen we…’
Ook hier speelt het brein een grote rol. Als we namelijk verbindingen verliezen, dan is de neiging van het brein om deze verbinding weer te herstellen. Dat herstellen kunnen we uitstellen met de gedachte “ik zou eens moeten bellen” of iets dergelijks.
Maar juist bij dood kan dit niet. En als iets niet meer kan, dan wordt de wens ertoe vaak vele malen groter. Zo voelen rouwenden na een overlijden vaak een voortdurende, en soms pijnlijke, wens om herenigd te worden met de overledene. Ze focussen zich volledig op hoe het zou zijn om weer samen te zijn. Het verleden wordt geromantiseerd en er is een enorm verlangen naar het verleden.
4.3 De routekaart
Het brein is voortdurend bezig wegen te bewandelen volgens de routekaart die is ontstaan. Zo zien we dat, met name als het gaat om dierbare anderen, het brein bezig is met allerlei voorspellingen, zoals:
- Waar hij is (ruimte)
- Wanneer hij er is (tijd)
- Nabijheid (we hebben een band)
Het zal duidelijk zijn dat de dood dus een behoorlijk probleem oplevert. Het brein raakt in verwarring, kan geen voorspellingen meer doen want het heeft niet eerder meegemaakt hoe het nu is. Het brein doet namelijk voorspellingen op basis van dingen die het eerder heeft meegemaakt.
Waar is hij
Omdat het brein ervan uitgaat dat de persoon nog wel ergens zal zijn, gaat het brein een ‘zoekopdracht’ opgeven. Zo wordt er van alles in het werk gezet: ga zoeken, schreeuw, stuur berichten, bel, doe alles wat maar op enige manier de aandacht van de afwezige persoon kan trekken.
Dit leidt uiteraard niet tot het vinden van de overledene en dus zal de nabestaande immens gedesoriënteerd zijn.
Het zoeken is ook zo herkenbaar! Hoe vaak horen we van nabestaanden dat ze ruiken aan spullen, spullen vasthouden, enfin van alles doen om de overledene dichtbij te voelen.
Wanneer is hij er
In veel culturen wordt er geprobeerd een antwoord te geven op het ‘waar’ en ‘wanneer’ (zoals bij voorbeeld dat wij de overledene plaatsen in De Hemel, Het Reine Land (Boeddhisme). Hieruit valt op te maken dat we een sterke wens hebben om te weten waar onze overledenen zijn en dat die wens ook een biologische basis heeft.
Maar, geeft het weten waar de overledene is en wetend dat we in de toekomst elkaar weer zullen zien, troost en comfort bij verlies? Er is nog geen eenduidig onderzoek hiernaar gedaan, maar andere onderzoeken geven wel aan dat als men hier een idee bij heeft, de nabestaande een lagere bloeddruk heeft. Het lijkt er dus op dat dit weten de stress verlaagt.
Doordat het brein voorspellingen maakt is het goed voorstelbaar dat een rouwende om 6 uur ’s avonds de sleutels in het slot hoort op de tijd dat normaal gesproken de partner thuiskwam.
Blijkt dit niet te gebeuren, dan komen de rouwgevoelens weer keihard binnen. Het is ook om deze reden dat met het gevoel kan hebben de overledene nog te ‘zien’. Het brein vult namelijk zelf incomplete informatie aan. De partner had thuis moeten zijn, dat is hij niet, dus maakt het brein een ‘plaatje’, met name kort na het overlijden.
Of als je al rouwende ’s ochtends wakker wordt en de partner ligt niet naast je in bed, dan kan het idee dat hij dood is gewoonweg niet waar zijn, het ligt niet voor de hand (volgens het brein). Dit houdt het brein voor lange tijd vol. Er moeten voldoende nieuwe ervaringen overheen komen voor het brein om nieuwe voorspellingen te kunnen doen. Zo zou je kunnen zeggen dat niet tijd de wonden heelt, maar nieuwe ervaringen. Als nabestaanden ‘leer’ je namelijk constant hoe de nieuwe situatie is, zodanig vaak dat het brein op basis daarvan nieuwe voorspellingen gaat doen.
M.i. maakt dit ook zo duidelijk waarom iemand die zijn/haar partner verliest, het kind in bed neemt. In ieder geval is de lege plek dan niet zo zichtbaar! Of dat de kleren blijven hangen. Het doet enorm veel pijn om telkens naar de lege kapstok te kijken.
Zo kan het dus ook helpen als je een idee hebt waar de overledene nu is omdat het brein dan alleen maar de ervaringen hoeft ‘bij te werken’. Je kan jezelf dus niet dwingen om van de ene op de andere dag te leren dat de dierbare overleden is, maar je kan je brein wel nieuwe ervaringen geven (dit gebeurt vaak ‘vanzelf’) waardoor min of meer de computer in je brein wordt geupdate.
Zoekend naar nabijheid
Hierbij bedoelen we vooral psychische nabijheid. Als die nabijheid doorbroken wordt, omdat iemand overlijdt, dan kan het brein dat niet geloven en het brein zal ervan uitgaan dat we niet genoeg ons best doen om die persoon weer dichterbij te krijgen. Het brein gaat er dan vanuit dat de nabijheid is verbroken omdat je ruzie hebt gehad. Wat doe je als je ruzie hebt gehad? Dan ga je je best doen om het goed te maken. Je gaat je eigen rol ook onderzoeken (of liever gezegd, dat doet het brein wel voor je) om te ontdekken wat je kunt doen om die persoon weer dichterbij te halen. Vandaar dat je ook allerlei andere emoties voelt naast verdriet. Je kunt spijt voelen, een schuldgevoel krijgen, boosheid. Allerlei sociale emoties, omdat wij op onbewust niveau ervaren dat de ander ons ‘vermijdt’. In leven zouden deze emoties ons aanzwengelen op de relatie te herstellen.
4.4 Waarom neemt rouw zo veel tijd
De “Gone-but-also-everlasting” theorie die Mary Frances O’Connor voorstelt, suggereert dat rouwen anders is dan andere vormen van leren, omdat het impliciete geloof dat de overledene doorgaat met leven, het leren over de nieuwe realiteit dwars zit. Dat rouw lang duurt laat ook zien dat er meer aan de hand is: dat er overtuigingen zijn die elkaar tegenwerken of die niet verenigbaar met elkaar zijn.
4.5 Wat brengt het onderzoek van Mary-Frances O’Connor ons
Dit nieuwe onderzoek maakt duidelijk dat het brein alles aanstuurt en verklaart ook waarom de psychische aanpassingen zo enorm ingewikkeld zijn en lang kunnen duren. Dit zou je met je ‘boerenverstand’ niet kunnen bedenken als je nog nooit in rouw bent geweest.
Hoe lang heeft het geduurd voordat je leerde dat 2×2 vier is? Daar is heel veel repetitie aan vooraf gegaan. Zo zou je het (dus) ook kunnen zien met rouw. Waar je bij 2×2 nog een nieuwe verbinding aanlegde, moet nu eerst nog een oude verbindingen helemaal verbroken worden.
Hoe kunnen we dit gebruiken in de begeleiding van mensen in rouw? Vooral kunnen we door middel van psycho educatie dingen verklaren, mensen tot rust brengen. Zodat ze snappen dat het (ook?) je brein is die zo in de weg zit. Iemand kan al zo snel denken dat dat hii/zij gek wordt.
Voor onze begeleiding betekent het dat we mogen blijven confronteren met hoe het nu is, zodat we constant bezig zijn de oude verbinding van het brein ‘onder druk’ te zetten. Het brein constant de nieuwe werkelijkheid onder ogen te laten zien (middels de vragen die we stellen aan de rouwende, de oefeningen die we met hen doen).
Hoe het ook is, rouw kost tijd, heel veel tijd. Dat is maar weer eens ‘bewezen’.
5. Afsluiting
Kennis hebben van deze theorieën is de basis van goede rouwbegeleiding. De cliënt weet niet de weg. Als hulpverlener willen wij onze cliënten aan de hand meenemen en ze leiden door het land van rouw. Waarbij we natuurlijk altijd blijven aansluiten bij wat passend is voor de cliënt, dat sowieso.
Ik hoop dat dit artikel duidelijk maakt dat de theorieën veel kunnen verklaren van waarom sommige van onze cliënten niet goed lijken verder te komen en welk werk wij als hulpverleners dan kunnen doen om het rouwproces weer te gaan laten stromen.
Met als uiteindelijke doel dat de rouwende cliënt zijn veerkracht terugvindt en in staat is om langzaam maar zeker uit het diepe dal van rouw te klimmen.

